Onderwaterleven

In het Noord Aa leeft een diversiteit aan marineleven. Een opsomming:

Baars

Baars

Hij is een van onze fraaiste zoetwatervissen met zijn gestreepte huid en zijn stekelige rugvin. De grotere exemplaren (tot 50 cm.) zijn echte jagers. Op hun menu staan vooral glasaaltjes en witvis. Jongere vissen doen zich tegoed doen aan kreeftachtigen en insectenlarven. De kuit wordt dicht bij de oever in ondiep water in lange geleiachtige strengen afgezet en vastgehecht aan waterplanten, stenen of andere voorwerpen. Vervolgens wordt de kuit door één of meerdere mannetjes bevrucht.
 

Deze kuitstrengen kunnen vaak een lengte van één meter hebben en zijn ca. 2 cm breed. Het aantal eitjes is natuurlijk afhankelijk van de grootte van het wijfje; maximaal zijn het er 300.000. Omdat het broed niet wordt bewaakt, gaan er veel eitjes verloren maar toch komen er na ca. 8 à 16 dagen, al naar gelang de watertemperatuur, enkele duizenden larven uit. De larven kunnen reeds zwemmen en vormen grote scholen, die zich aanvankelijk met dierlijk plankton voeden. Al spoedig daarna voeden ze zich met andere diertjes, want de jonge baarzen groeien snel. In de herfst zijn ze al 6 à 8 cm lang, een jaar later 9 à 13 cm. Op z'n vroegst aan het eind van het tweede levensjaar, als ze een lengte van 14 à 16 cm hebben bereikt, zijn ze geslachtsrijp.

 

Paling

PalingZijn slangachtige  bouw zorgt ervoor dat hij zich razendsnel kan ingraven als er gevaar dreigt. Het grootste gedeelte van de dag ligt hij dan ook ingegraven, om 's nachts tevoorschijn te komen om te gaan jagen. Hij jaagt hierbij, met zijn, buisvormige goed ontwikkelde neusgaten, hoofdzakelijk op de reuk. Hij lokaliseert hiermee ongewervelden zoals vlokreeften, muggenlarven en aasgarnalen om ze vervolgens bliksemsnel te vangen en op te eten.
 

 

Als de paling groter wordt richt hij zich op grotere prooien, en afhankelijk daarvan ontwikkelt hij zich in een breed of spitskoppige paling. Het mannetje wordt niet groter dan 40 cm. terwijl het vrouwtje, dat ook veel langer in het zoete water blijft, een lengte kan bereiken van 120 cm.Het meest bijzondere van de paling is zonder meer zijn voortplanting. Nadat ze zo'n 5 tot 20 jaar in onze zoete wateren hebben geleefd, vertrekken ze naar zee om zich te gaan voortplanten. Voor ze echter in volle zee zijn hebben ze al een hele tocht achter de rug. Palingen in afgesloten wateren trekken hierbij over land. Geholpen door hun slijmachtige huid, trekken ze over vochtige weilanden tot ze weer water bereiken. Algemeen aangenomen wordt, dat de geslachtsrijpe paling (blanke aal) een trektocht maakt van 6000 kilometer, naar de, bij Zuid Amerika gelegen, Sargassozee. Daar aangekomen planten zij zich voort en sterven. De larven laten zich vervolgens op de golfstroom meevoeren naar Europa. In de twee jaar dat de reis duurt, veranderen ze van een bladvormige larve in een glasaaltje. Met miljoenen tegelijk zwemmen ze dan de Europese rivieren op.

 

Snoek

SnoekEen ontmoeting met een snoek is en blijft voor een duiker altijd spannend. Niet omdat hij zo zeldzaam of gevaarlijk is maar waarschijnlijker door de autoriteit die een snoek uitstraalt.

De snoek komt in bijna alle soorten water voor, van de grote heldere meren tot de kleinste dichtbegroeide slootjes. Een volwassen snoek kan wel tot 1 1/2 meter lang worden, met een gewicht tot 15 kilo.

 

De snoek is een echte roofvis. Hij voedt zich met alle soorten vis, zelfs zijn kleinere soortgenoten zijn niet veilig voor zijn roofzucht, maar in het algemeen zijn het toch de zieke of zwakke vissen die aan hem ten prooi vallen.

Niet vanwege speciale voorkeur voor deze vissen, maar omdat deze makkelijker door hem zijn te vangen. Deze eigenschap zorgt ervoor dat de visstand in water waar de snoek voldoende in voorkomt gezond blijft. Van maart tot en met april worden de eieren afgezet op dichtbegroeide plaatsen dicht onder het wateroppervlak. Als na ongeveer 13 dagen de eitjes uitkomen teren de jonge snoekjes nog enige tijd op hun dooierzak. De jonge snoekjes groeien zeer snel. In het eerste jaar kan hij al 22 cm. groot worden, afhankelijk van de voedsel omstandigheden. Vanwege hun vroege geboorte en hun snelle groei zijn ze altijd verzekerd van voldoende prooi.

 

Blankvoorn

BlankvoornDe blankvoorn komt vrij algemeen voor in de meest uiteenlopende wateren. Het zijn langzame groeiers en ze bereiken pas na zo'n 10 jaar een  lengte van 30 cm. De maximale lengte is ongeveer 40 cm. De jonge exemplaren vormen een belangrijke voedselbron voor roofvissen als de snoek, snoekbaars en baars. De blankvoorn zelf eet vooral algen, zachte planten en verder nog wat kleine waterdiertjes
 

 

De blankvoorn onderscheidt zich van de rietvoorn, ook wel ruisvoorn genoemd, door zijn lichtere kleur en zijn meer naar voren staande rugvin. De paaitijd is in mei en juni en daarbij legt het vrouwtje zo'n 100 a. 200.000 eitjes. Deze 1.5 mm. kleine doorzichtig gele eitjes kleven aan ondiepe waterplanten. 

 

Brasem

Het is een van de talrijkste vissen van Nederland en door zijn gewicht vaak de belangrijkste vis qua biomassa.  De maximale lengte is 90 cm. De volwassen brasem heeft een typische ruitvorm, is afgeplat en heeft een lange anaalvin en een korte puntige rugvin. Zo kunnen ze 's zomers wel herkend worden als het zuurstofgebrek ze naar de oppervlakte dwingt. De vinnen zijn grijzig of zwart en nooit gekleurd. In de paaitijd kunnen mannetjes herkend worden aan de leguitslag, keiharde wratjes op de kop en kieuwdeksel. De kleur is variabel en hangt sterk samen met de helderheid en begroeiing van het water. Bij helder begroeid water krijgt de brasem een bronzen kleur, in rivieren en troebele plasjes is hij meer zilverachtig met een wat gelige gloed. Zeer jonge brasems worden meestal niet als zodanig herkend omdat de visjes dan nog heel slank zijn. Ze zijn zilverachtig, sterk afgeplat en hebben een lange anaalvin. Ze kunnen worden onderscheiden van voorns door het afgeplatte lichaam en de lange anaalvin.

De brasem is een scholenvis, zelfs de hele grote exemplaren komen nog in kleine groepjes voor. Op gunstige plaatsen graven de brasems gezamenlijk in de modder of het zand, waar ze eetbare bodemdiertjes uitfilteren. Modder en plantendelen worden weer uitgespuugd. Soms schakelen brasems over op watervlooien of andere diertjes in de middelste waterlagen. Ze prefereren de dieper gedeeltes van het water. 's Avonds en 's nachts azen ze wel vaak op ondiep water. Soms zijn dan overdag nog de 10 tot 15 cm grote 'brasemputten' te zien langs ondiepe oevers. De brasems paaien in mei en juni. Als de weersomstandigheden verslechteren wordt de paai vaak weer onderbroken om ze later weer te hervatten. Ze paaien in de oevers en zelfs langs rivierkribben, maar bij voorkeur wordt zeer ondiep water opgezocht. De mannetjes verdedigen kleine territoria, waar ze andere mannetjes uit verjagen. De vrouwtjes produceren afhankelijk van de grootte 90.000 tot 300.000 eitjes. De kleverige eitjes worden op plantenmateriaal afgezet. Na het dooierzakstadium vormen de brasems scholen in de oeverzone.

Bron: Ron Offermans en wikepedia